Thuiskomen op de Huntingtonafdeling
Het was thuis een onhoudbare situatie geworden. Partner en kinderen konden het niet meer aan, de onrust, de onvoorspelbaarheid van het gedrag, de plotselinge woede-uitbarstingen. De ziekte was zo bepalend geworden, dat alle aandacht er door werd opgeëist. Hoe pijnlijk het ook was, na zoveel jaren samen geleefd te hebben, de kinderen te hebben zien opgroeien, er werd besloten dat meneer niet meer thuis kon wonen. Gelukkig was er snel een plek vrijgekomen in het verpleeghuis, wat thuis rust en nieuwe hoop gaf, maar ook daar ging het niet goed. Meneer kwam op een afdeling met bewoners met niet-aangeboren hersenletsel, waar hij zich niet thuis voelde. Dagelijks liep hij met zijn ziel onder zijn arm te zwerven door het huis, dan maar weer naar buiten om een sigaret te roken, een van de weinige dingen waar hij nog zin in had. Hoewel zijn partner hem dagelijks kwam bezoeken, was de overgang van thuis naar het verpleeghuis, en de wetenschap dat hij waarschijnlijk nooit meer terug naar huis zou gaan, zo ingrijpend, dat hij het uiteindelijk allemaal niet meer zag zitten. Gesprekken met een arts en psychiater moesten uitkomst bieden, maar de wisselende stemmingen van meneer maakten ook die schijnbaar zekere oplossing onzeker… Totdat er een kamer vrij kwam op de Huntingtonafdeling, en het team collega’s meneer welkom heette. Toen ik meneer en zijn partner later samen in de Gasterij tegenkwam, vertelde mevrouw dat ze zo opgelucht was, dat meneer weer gelukkig was en zich thuis voelde op de nieuwe afdeling. De strijd met de ziekte was voorbij, die nu door bezielde professionele handen werd gekoesterd, en de draad van het leven kon weer worden opgepakt. |